Schaatsen op natuurijs: waar moet je op letten?

Zodra het een paar nachten flink vriest, gaat er door Nederland een golf van opwinding. Schaatsen worden van zolder gehaald, slijpers maken overuren en iedereen kijkt naar de sloot achter het huis. Schaatsen op natuurijs is een van de mooiste winterervaringen die er zijn, maar het vraagt ook om oplettendheid. Het ijs is nooit overal even betrouwbaar, en wie onvoorbereid het ijs op gaat, loopt onnodig risico.

In dit artikel lees je waar je op moet letten voordat je de eerste slag zet: hoe dik het ijs moet zijn, welke plekken je beter kunt mijden, wat je meeneemt en hoe je je gedraagt tijdens een toertocht.

Hoe dik moet het ijs zijn?

Als vuistregel geldt dat ijs voor één persoon minimaal 10 centimeter dik moet zijn. Wil je met een groep schaatsen of gaat er een toertocht plaatsvinden, dan is 15 centimeter of meer een veilige ondergrens. Die dikte moet bovendien gelijkmatig zijn, want één dikke plek zegt weinig over de rest van het water.

Let ook op de kwaliteit. Helder, zwart ijs is het sterkst. Wit of grijs ijs bevat vaak luchtbellen of sneeuw en draagt minder. Na een periode van dooi en opnieuw vriezen kan ijs uit lagen bestaan die niet goed aan elkaar vastzitten. Twijfel je, ga dan niet het ijs op. Lokale ijsverenigingen meten de dikte regelmatig en geven het ijs pas vrij als het echt veilig is.

Veilige en onveilige plekken

Niet elk water bevriest op dezelfde manier. Stilstaand, ondiep water zoals ondergelopen weilanden en polderslootjes is vaak als eerste betrouwbaar. Grote meren, rivieren en kanalen met stroming of scheepvaart bevriezen veel later en blijven verraderlijk.

Binnen een bevroren water zijn er ook plekken waar je extra alert moet zijn. Denk aan de omgeving van rietkragen, bruggen, duikers en gemalen, waar het water in beweging blijft. Ook plekken waar eenden of ganzen zwemmen, of waar warm water wordt geloosd, zijn vaak zwak. Riet en bomen houden warmte vast, waardoor het ijs aan de randen dunner kan zijn dan in het midden.

De juiste uitrusting

Goede schaatsen zijn de basis. Zorg dat ze geslepen zijn, want botte ijzers geven weinig grip op ruw natuurijs. Noren zijn populair voor lange tochten, maar ook comfortabele toerschaatsen of kunstschaatsen voldoen prima voor een rondje op de plas.

Daarnaast is het slim om een paar extra spullen mee te nemen. Meer uitleg over sportuitrusting en bewegen in de kou vind je onder meer op www.vraageensporter.nl, maar de belangrijkste zaken zet je hier al op een rij:

  • IJsprikkers om je bij een wak uit het water te trekken
  • Een werplijn of touw om iemand anders te helpen
  • Meerdere dunne lagen kleding en droge reservekleren in een waterdichte zak
  • Handschoenen en een muts, ook als het zonnig is
  • Een opgeladen telefoon in een plastic zakje

Ongeschreven regels van een toertocht

Wie meedoet aan een toertocht, merkt al snel dat er een soort stille afspraken gelden. Je schaatst rechts en haalt links in, net als op de weg. Wil je stoppen, ga dan naar de kant in plaats van midden op de baan stil te staan. Kijk achterom voordat je van richting verandert, want snelle rijders komen soms onverwacht dichtbij.

Respecteer de uitgezette route en de aanwijzingen van vrijwilligers. Zij hebben het traject gecontroleerd en weten waar zwakke plekken liggen. Ook bij de koek-en-zopie geldt gewone beleefdheid: sluit netjes aan en laat geen afval achter op het ijs. Op veel plekken vragen ijsverenigingen een kleine bijdrage; daarmee betaal je mee aan het onderhoud en de veiligheid van de baan.

Wat als het misgaat?

Zak je door het ijs, probeer dan rustig te blijven. Draai je in de richting waar je vandaan kwam, want dat ijs heeft je net nog gedragen. Gebruik je ijsprikkers, trap met je benen en schuif jezelf plat op het ijs. Rol daarna weg van het wak in plaats van direct op te staan.

Zie je iemand anders door het ijs gaan, ga dan niet zomaar naar hem toe. Bel 112, ga plat liggen om je gewicht te verdelen en gebruik een touw, tak of sjaal om de persoon te bereiken. Na het uitstappen is het belangrijk om zo snel mogelijk droge kleren aan te trekken en op te warmen.